rol gemeenten De gemeente is verantwoordelijk voor de handhaving van de kwaliteit. Zij is de opdrachtgever voor de GGD die het toezicht uitvoert. (Wet kinderopvang, [artikelen 61, 62 en 63]). De gemeentelijke taken beginnen bij de registratie van een aanbieder van kinderopvang. Voordat een aanbieder in het gemeentelijk register wordt opgenomen, voeren GGD en brandweer een inspectie uit. De gemeente toetst ook of een kindercentrum in het bestemmingsplan past.
De gemeente komt weer in beeld wanneer bij een inspectie de GGD een “onvoldoende” moet geven. Op basis van het gemeentelijk handhavingsbeleid, beslist een gemeente of maatregelen moeten worden genomen.
Het handhavingsbeleid van de gemeente richt zich op zeven terreinen:

  • Medezeggenschap ouders
  • Beroepskwalificaties en VOG personeel
  • Veiligheid en gezondheid
  • Accommodatie en inrichting
  • Groepsgrootte en leidster-kind ratio
  • Pedagogisch Beleid en de praktijk ervan
  • Wet “Klachtrecht cliënten zorgsector”

Iedere gemeente is vrij de eigen prioriteiten in dit toezichtmodel vast te stellen. Het staat gemeenten ook vrij maatregelen te nemen (= te handhaven) of niet.

De handhavingsmaatregelen die de gemeente kan nemen, bestaan uit:

  1. Het geven van een “Aanwijzing”. Hierin staat welke overtredingen zijn geconstateerd en welke maatregelen binnen welke termijn moeten worden getroffen. De GGD controleert of dat is gebeurd.
  2. Het geven van een “Bevel”. Dit gebeurt als de GGD oordeelt dat de kwaliteit dermate tekortschiet dat de gezondheid of de veiligheid van de kinderen in direct gevaar is. Een bevel moet binnen zeven dagen zijn opgevolgd.
  3. Opleggen van een “Last onder dwangsom”. Deze wordt gegeven als er iets moet worden hersteld binnen een bepaalde periode. Gebeurt dit niet of niet tijdig, dan moet een geldsom worden betaald. Het opleggen van een dwangsom wordt vaak toegepast om het economisch voordeel weg te nemen, bijvoorbeeld bij het structureel overtreden van de leidster-kind-ratio.
  4. Het opleggen van “Bestuursdwang”. Hierbij wordt een onveilige situatie door de gemeente op kosten van de ondernemer hersteld. Een voorbeeld: het weghalen van een onveilig speeltoestel als dat na een aanwijzing niet is gebeurd. Als er geen sprake is van een fysiek te herstellen situatie, zal de gemeente een last onder dwangsom opleggen.
  5. Uitvaardigen van een “Exploitatieverbod”. De gemeente kan de ondernemer verbieden de exploitatie van een kindercentrum of gastouderbureau voort te zetten als deze een aanwijzing of bevel niet opvolgt. Dat zal vooral gebeuren als het toepassen van bestuursdwang niet mogelijk is.
  6. “Verwijdering” uit het gemeentelijk register. Dit is het uiterste middel, als de andere sancties geen effect hebben gehad. Het raakt ook de ouders, omdat zij de aanspraak op de tegemoetkoming van de Belastingdienst verliezen.
  7. Opleggen van een “Bestuurlijke boete” voor de ondernemer persoonlijk. Deze kan worden opgelegd als de ondernemer een verplichting, een aanwijzing of een bevel niet nakomt